tegengunst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·gen·gunst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tegengunst tegengunsten
verkleinwoord tegengunstje tegengunstjes

Zelfstandig naamwoord

tegengunst v

  1. iemand die jou eerder vrijwillig ter wille is geweest, nu ook omgekeerd ter wille zijn door het verlenen van een dienst of goed
    • Bewijs drie anderen een gunst, en vraag hen bij wijze van tegengunst een goede daad te verrichten voor weer drie anderen; binnen de kortste keren komt zo een kettingreactie op gang van hulpvaardig gedrag. [1]

Gangbaarheid

Verwijzingen