rond

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rond
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rond ronder rondst
verbogen ronde rondere rondste

Bijvoeglijk naamwoord

rond

  1. cirkelvormig.
    Koning Arthur zat aan een ronde tafel met zijn ridders, in plaats van zich aan het hoofd te plaatsen.
  2. (oenologie) soepel, zacht, niet scherp, half strak
    De wijn heeft een ronde smaak.
  3. (bij bedragen:) op een of meer nullen eindigend
    Noem nu even een rond bedrag
  4. vol, gevuld
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Voorzetsel

rond

  1. om, rondom
    Een reis rond de wereld.
  2. rond het tijdstip van, omstreeks
    Ik kom vanavond rond 8 uur.
Vertalingen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     rond  
 persoonlijk     errond  
aanwijz.   nabij     hierrond  
  veraf     daarrond  
  vragend/betrekk.     waarrond  

Bijwoord

rond

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    Zij draaide van duizeligheid rond.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ronden

rond

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ronden
    Ik rond.
  2. gebiedende wijs van ronden
    Rond!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ronden
    Rond je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl