tegenop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·gen·op
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

tegenop

  1. ergens langs omhoog gaan
    • Hij zag de hoge muur; daar kon hij niet tegenop. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.