tegenover

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·gen·over
Woordherkomst en -opbouw

Voorzetsel

tegenover

  1. aan de overzijde van
    • Tegenover de supermarkt staat een bankgebouw. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     tegenover  
 persoonlijk     ertegenover  
aanwijz.   nabij     hiertegenover  
  veraf     daartegenover  
  vragend/betrekk.     waartegenover  

tegenover

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord (tegenoverstellen)
    • Hij stelde daar wel iets tegenover. 
  2. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    • Het bankgebouw staat er schuin tegenover. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.