genet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·net
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] Via Middelnederlands ghenet, van Frans genet <Spaans jinete <Arabisch zanāta: een Berberse ruiterstam
  • [2] <Frans genette <Spaans gineta <Arabisch ğarnait [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord genet genetten
verkleinwoord genetje genetjes

Zelfstandig naamwoord

genet

  1. o (zoogdieren) klein soort Spaans paard
    • Het paart, dat met briessen het spaansch genet uittart.[2] 
  2. v (zoogdieren) Genetta genetta op Wikispecies klein roofdier uit de familie der civetkatachtigen (Viverridae op Wikispecies)
    • 's Avonds ben ik op een autosafari door het park geweest en heb onder andere een genet in een boom gezien; de ogen reflecteerden de lichtbundel van onze schijnwerper bijzonder sterk. 
Synoniemen
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van netten: de stam met omvoegsel ge- -t, zonder -t omdat de stam al op -t eindigt

Werkwoord

vervoeging van
netten

genet

  1. voltooid deelwoord van netten
Anagrammen

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
20 % van de Vlamingen.

Verwijzingen