negatief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ne·ga·tief
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontkennend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1480 [1]
  • afgeleid van negatie met het achtervoegsel -ief
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen negatief negatiever negatiefst
verbogen negatieve negatievere negatiefste
partitief negatiefs negatievers -

Bijvoeglijk naamwoord

negatief

  1. ontkennend, afwijzend
    • Het antwoord was negatief. 
  2. als slecht beschouwend, ongunstig
    • Een negatief imago. 
  3. (medisch) afwezig
    • Het resultaat van deze test was negatief op de aanwezigheid van het HIV-virus. 
  4. (wiskunde) kleiner dan nul
    • Een negatief getal. 
  5. (elektrotechniek) met de eigenschap van de pool van een spanningsbron waar de elektronen uitkomen (van buiten gezien)
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord negatief negatieven
verkleinwoord negatiefje negatiefjes

Zelfstandig naamwoord

negatief o

  1. (fotografie) een in het kader van een fotografisch procédé ontwikkelde plaat of film met een lichtgevoelige laag, waarop de lichtwaarden omgekeerd zijn t.o.v. de werkelijkheid
    • Het negatief van een foto. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen