waardeloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • waar·de·loos
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen waardeloos waardelozer waardeloost
verbogen waardeloze waardelozere waardelooste
partitief waardeloos waardelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

waardeloos

  1. geen waarde hebbend
    • Deze oude biljetten zijn nu waardeloos geworden. 
  2. bijzonder slecht, verwerpelijk
    • Wat een waardeloze vertoning was dat, zeg! 
     En als het hout dan opnieuw bevroor barstten de samenvoegingen en werd de paal waardeloos.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be