waardeloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • waar·de·loos
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen waardeloos waardelozer waardeloost
verbogen waardeloze waardelozere waardelooste
partitief waardeloos waardelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

waardeloos

  1. geen waarde hebbend
    • Deze oude biljetten zijn nu waardeloos geworden. 
  2. bijzonder slecht, verwerpelijk
    • Wat een waardeloze vertoning was dat, zeg! 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be