waardeloos

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • waar·de·loos
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen waardeloos waardelozer waardeloost
verbogen waardeloze waardelozere waardelooste
partitief waardeloos waardelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

waardeloos

  1. geen waarde hebbend
    Deze oude biljetten zijn nu waardeloos geworden.
  2. bijzonder slecht, verwerpelijk
    Wat een waardeloze vertoning was dat, zeg!
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.