nulliteit
Uiterlijk
- nul·li·teit
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | nulliteit | nulliteiten |
| verkleinwoord |
de nulliteit v
- iets dat geen waarde of belang heeft; iemand zonder waarde
- 'Een grote schande, het toppunt van een journalistieke nulliteit', reageert echtgenoot Frank Vanhecke. 'Dit is journalistiek van de laagste soort, compleet onaanvaardbaar. Dat vinden ook de ouders van Rooske.'[3]
- Qilaatersorneq, het plichtwerk van Soren Nils Eichberg, dat bij andere violisten al eens naar new age-nulliteit fladdert, kreeg een beklijvende uitvoering.[4]
- „Nog steeds gebruik ik archaïsche woorden die ik van hem leerde. Als ik iets niet zo van belang vind, dan noem ik dat ‘een nulliteit’.[5]
- (wiskunde) (van een lineaire afbeelding of matrix) de dimensie van de kern van die lineaire afbeelding of matrix
- kleinigheid, bagatel, onbenulligheid, onbeduidendheid, nietsnut, futiliteit, beuzeling, beuzelarij, nutteloosheid, nietigheid
- Het woord nulliteit staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "nulliteit" herkend door:
| 30 % | van de Nederlanders; |
| 43 % | van de Vlamingen.[6] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie. (wiskunde)
- ↑ nulliteit op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ de Standaard 14/02/2011 De Wever 'misselijk'van RTBF-reportage Morel
- ↑ de Standaard 25/05/2001 om 00:00 door Peter Vermeersch Elisabethwedstrijd: nog een vrouw
- ↑ NRC Floris Alberse 26 maart 2014 Hij probeerde mijn adoratie te temperen
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -iteit in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Wiskunde in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 30 %
- Prevalentie Vlaanderen 43 %