nulliteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nul·li·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nulliteit nulliteiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nulliteit v [2]

  1. iets dat geen waarde of belang heeft; iemand zonder waarde
    • 'Een grote schande, het toppunt van een journalistieke nulliteit', reageert echtgenoot Frank Vanhecke. 'Dit is journalistiek van de laagste soort, compleet onaanvaardbaar. Dat vinden ook de ouders van Rooske.'[3] 
    • Qilaatersorneq, het plichtwerk van Soren Nils Eichberg, dat bij andere violisten al eens naar new age-nulliteit fladdert, kreeg een beklijvende uitvoering.[4] 
    • „Nog steeds gebruik ik archaïsche woorden die ik van hem leerde. Als ik iets niet zo van belang vind, dan noem ik dat ‘een nulliteit’.[5] 
  2. (wiskunde) (van een lineaire afbeelding of matrix) de dimensie van de kern van die lineaire afbeelding of matrix
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

29 % van de Nederlanders;
43 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie Wikipedia voor meer informatie. (wiskunde)

Verwijzingen