oproep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·roep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oproep oproepen
verkleinwoord oproepje oproepjes

Zelfstandig naamwoord

oproep m

  1. een dringende vraag om iets te doen
    • Als de ambulancedienst een oproep krijgt, moet zij snel reageren. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
oproepen

oproep

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oproepen
    • ... dat ik oproep. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.