botje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bot·je
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘muntje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1406 [1]

Zelfstandig naamwoord

botje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord bot

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen