sprong

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sprong
enkelvoud meervoud
naamwoord sprong sprongen
verkleinwoord sprongetje sprongetjes

Zelfstandig naamwoord

sprong m

  1. met het lichaam een beweging in opwaartse richting
  2. (informatica) een afwijking van de normale volgorde waarbij een aantal tussenliggende zaken overgeslagen worden
Afgeleide begrippen


Werkwoord

vervoeging van
springen

sprong

  1. enkelvoud verleden tijd van springen
    Ik sprong.
    Jij sprong.
    Hij, zij, het sprong.