schoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een veterschoen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voetbekleedsel’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord schoen schoenen
verkleinwoord schoentje schoentjes

Zelfstandig naamwoord

schoen m

  1. (schoeisel) bekleedsel om de voet warm te houden en te beschermen
    • met sinterklaas mogen de kinderen in het weekend hun schoen bij de schoorsteen zetten 
  2. iets dat min of meer op een schoen lijkt bijv. een remschoen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen