lomp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lomp
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lomp lomper lompst
verbogen lompe lompere lompste
partitief lomps lompers -

Bijvoeglijk naamwoord

lomp [2]

  1. zich op een onwellevende en onbehouwen manier gedragend, grof, plomp
     Even later tekende Lewandowski wel voor zijn tiende Champions League-treffer. Oud-Ajacied Maximilian Wöber ging het duel met de Poolse spits veel te lomp in, waarna Lewandowski zijn zelf verdiende strafschop snoeihard in de linkerhoek schoot: 1-0.[3]
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vod’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588 [4]
  • [5] [6]
enkelvoud meervoud
naamwoord lomp lompen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lomp v / m

  1. vod [7]
  2. (vissen) slijmvis [8]
Uitdrukkingen en gezegden
  • Zich niet laten lompen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[9]

Verwijzingen