robot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ro·bot
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Tsjechisch, in de betekenis van ‘kunstmens’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1931 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord robot robots
robotten
verkleinwoord robotje robotjes

Zelfstandig naamwoord

robot m

  1. (techniek) een machine die beschikt over een stoffelijke vorm ('lichaam') en een beslissingsmodel (programma)
    • In de praktijk betekent het dat een robot voor verschillende producten kan worden ingezet, waar een numerieke machine slechts een (deels variabele) taak kan uitvoeren. 
    • Er zijn enkele eerdere gevallen bekend over gewelddadige interacties tussen verdachten en de politie waarbij robots zijn gebruikt. Bijvoorbeeld bij een arrestatie in Albuquerque in de VS in 2014. Daar had een gewapende verdachte zich verschanst in een motelkamer. De politie gebruikte toen chemische munitie via een robot waarna de verdachte zich overgaf, zo staat te lezen in het officiële politierapport over de zaak. [3] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord robot robots
robotte
verkleinwoord robotjie robotjies

Zelfstandig naamwoord

robot

  1. robot
  2. verkeerslicht, stoplicht
    «Wag eers, die robot is rooi.»
    Wacht even, het stoplicht staat op rood.


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

robot g

  1. (techniek) robot
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   robot     roboten     robotar     robotarna  
genitief   robots     robotens     robotars     robotarnas