botvlies

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bot·vlies
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord botvlies botvliezen
verkleinwoord botvliesje botvliesjes

Zelfstandig naamwoord

botvlies o

  1. (anatomie) de zeer pijngevoelige en bloedvatenrijke buitenbekleding van botweefsel
    • 'Waarschijnlijk heeft 'ie met een hoef zijn dijbeen geraakt. Dat geeft zo'n pijnlijke druk op het botvlies. Dramatisch', zei Sjef Janssen, de coach van Matthias Rath, de veelgeplaagde Duitse berijder van Totilas. 'Eerst de Olympische Spelen, nu het WK. Hier word je wel een beetje ziek van.' [1] 
    • In Kerkrade kan de Ajax-trainer naast De Ligt ook niet beschikken over Max Wöber. De Oostenrijker kreeg zondag tegen NAC Breda een tik tegen zijn enkel. Gisteren bleek het botvlies geïrriteerd en haakte Wöber alsnog af. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen