stuit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stuit
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘achterste’ voor het eerst aangetroffen in 1567 [1] [2] [3] [4] [5]
enkelvoud meervoud
naamwoord stuit stuiten
verkleinwoord stuitje stuitjes

Zelfstandig naamwoord

stuit v

  1. (anatomie) onderste gedeelte van de rug ter hoogte van het stuitbeen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
stuiten

stuit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van stuiten
  2. gebiedende wijs van stuiten

Verwijzingen