botte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bot·te
Woordherkomst en -opbouw
  • [zelfstandig naamwoord] van Middelnederlands botte [1][2][3][4]
  • [bijvoeglijk naamwoord] bot met de uitgang -e en verdubbeling van de medeklinker om aan te geven dat de o kort blijft
  • [werkwoord] bot met de uitgang -te
enkelvoud meervoud
naamwoord botte botten
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

Zelfstandig naamwoord

botte

  1. (verouderd) vat, kuip, bak, kan
  2. (verouderd) draagmand, gevlochten koffer
  3. (verouderd) laars
  4. (historisch) werktuig dat werd gebruikt bij het maken van Goudse pijpen

Bijvoeglijk naamwoord

botte

  1. verbogen vorm van de stellende trap van bot

Werkwoord

vervoeging van
botten

botte

  1. enkelvoud verleden tijd van botten
    • Ik botte. 
    • Jij botte. 
    • Hij, zij, het botte. 

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
43 % van de Vlamingen.

Verwijzingen