scherp

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scherp
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen scherp scherper scherpst
verbogen scherpe scherpere scherpste
partitief scherps scherpers -

Bijvoeglijk naamwoord

scherp

  1. goed snijdend
    • Vlees snijden gaat enkel met een scherp mes. 
  2. (van een hoek) van minder dan 90°
    • Er werd een vraag gesteld over een scherpe hoek tijdens de wiskundeles. 
  3. beter dan gemiddeld
    • De uitverkoop zat weer vol met scherpe prijzen. 
  4. de zintuigen sterk, vaak negatief, prikkelend
    • Hij kon niet meer tegen die scherpe geluiden. 
  5. sterk smakend, hartig, pikant, pittig
    • Zij eet vaak scherpe knoflooksaus. 
  6. heel afkeurend
    • Er kwam scherpe kritiek op plannen van minister Eurlings. 
  7. duidelijk weergegeven
    • Ik heb een aantal foto's met scherpe contouren. 
  8. scherpzinnig
    • Hij heeft nog altijd een scherpe blik. 
  9. heel precies
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
scherpen

scherp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scherpen
    • Ik scherp. 
  2. gebiedende wijs van scherpen
    • Scherp! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scherpen
    • Scherp je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie