skelet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ske·let
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘geraamte’ voor het eerst aangetroffen in 1778 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord skelet skeletten
verkleinwoord skeletje skeletjes

Zelfstandig naamwoord

skelet o

  1. (anatomie) samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Deens

Woordafbreking
  • ske·let

Werkwoord

skelet

  1. voltooid deelwoord van skele