gebeente

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·been·te
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘het beendergestel’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • Afgeleid van been met het omvoegsel ge- -te.
enkelvoud meervoud
naamwoord gebeente gebeenten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gebeente o

  1. verzameling beenderen, skelet
    • Wee je gebeente! 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen