kaaksbeen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaaks·been
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kaaksbeen kaaksbeenderen
kaaksbenen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kaaksbeen o [1]

  1. (anatomie) het benige deel van de onderkaak of bovenkaak
    • De operatie zal in twee stappen verlopen. Eerst wordt het gezwel weggehaald en daarna zal het kaaksbeen van Liu hersteld worden. [2] 
    • De slachtoffers werden gedurende goed een half uur met metalen staven en knuppels bewerkt. Ze konden nadien op eigen kracht het kamp bereiken en werden door vrijwilligers naar het hospitaal gebracht waarbij minstens twee vluchtelingen het bewustzijn verloren. Er is sprake van gebroken ribben, schedelfractuur, een gebroken kaaksbeen, een gebroken oogkas en schaafwonden. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

31 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen