dijbeen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dij·been
1 enkelvoud meervoud
naamwoord dijbeen dijbeenderen
verkleinwoord dijbeentje dijbeentjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord dijbeen dijbenen
verkleinwoord dijbeentje dijbeentjes

Zelfstandig naamwoord

dijbeen o

  1. (anatomie) been (bot) in de dij
  2. (anatomie) deel van het been (onderste extremiteit)
    Mevrouw, wat hebt u een mooie dijbenen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie