beenhouwer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
beenhouwer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • been·hou·wer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beenhouwer beenhouwers
verkleinwoord beenhouwertje beenhouwertjes

Zelfstandig naamwoord

beenhouwer m

  1. (België) een verkoper van vlees
    • Hij is naar de beenhouwer voor gehakt. 
  2. (belgië) een slachter
    • De beenhouwer was de koe aan het slachten. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie