vuur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vuur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vuur vuren
verkleinwoord vuurtje vuurtjes

Zelfstandig naamwoord

vuur o

  1. een lichtend verschijnsel dat ontstaat wanneer iets verbrandt
    • De brandweer doofde het vuur met water en andere blusmiddelen. 
  2. - beschieting met vuurwapens
    • - Halverwege de oorlog deserteerden er iedere maand meer dan vijfduizend soldaten; sommige bleven gewoon ergens hangen tijdens de oneindig lange marsroutes, andere vluchtten zodra het vuur werd geopend. In mei 1864 — de maand waarin generaal Grant zijn opmars naar het zuiden begon en de maand van de Wildernis — waren er niet minder dan 5371 federale soldaten die het hazenpad kozen. Meer dan 170 verlieten iedere dag het strijdtoneel — zowel dienstplichtigen als vrijwilligers, ontmoedigd of vol heimwee, gedeprimeerd, verveeld, gedesillusioneerd, onbetaald of gewoonweg bang.[2] 
    • - Zo kwam de stad onder vuur te liggen. 
  3. enthousiasme, bezieldheid
    • hij verdedigde zijn ideeën vol vuur 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vuren

vuur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
    • Ik vuur. 
  2. gebiedende wijs van vuren
    • Vuur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
    • Vuur je? 

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Winchester, Simon De gekwelde woordenaar vertaald door Peter Out 1998 ISBN 90-254-2146-6 pagina 69

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ˈvyːr/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

vuur o

  1. vuur
    «'d Vuur versprij zich zoefrasj dórche bósj.»
    Het vuur verspreidde zich razendsnel door het bos.
Verbuiging