vuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
vuur

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vuur
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘lichtend verschijnsel bij brand’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vuur vuren
verkleinwoord vuurtje vuurtjes

Zelfstandig naamwoord

vuur o

  1. een lichtend verschijnsel dat ontstaat wanneer iets verbrandt
    • De brandweer doofde het vuur met water en andere blusmiddelen. 
     En ineens stonden ze voor een hol en zagen achterin de gloed van een vuur. Er was een lelijk oud wijf dat, zachtjes mompelend, in een pot boven het vuur stond te roeren.[3]
  2. - beschieting met vuurwapens
    • Halverwege de oorlog deserteerden er iedere maand meer dan vijfduizend soldaten; sommige bleven gewoon ergens hangen tijdens de oneindig lange marsroutes, andere vluchtten zodra het vuur werd geopend. In mei 1864 — de maand waarin generaal Grant zijn opmars naar het zuiden begon en de maand van de Wildernis — waren er niet minder dan 5371 federale soldaten die het hazenpad kozen. Meer dan 170 verlieten iedere dag het strijdtoneel — zowel dienstplichtigen als vrijwilligers, ontmoedigd of vol heimwee, gedeprimeerd, verveeld, gedesillusioneerd, onbetaald of gewoonweg bang.[4] 
    • Zo kwam de stad onder vuur te liggen. 
  3. enthousiasme, bezieldheid
    • hij verdedigde zijn ideeën vol vuur 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vuren

vuur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
    • Ik vuur. 
  2. gebiedende wijs van vuren
    • Vuur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
    • Vuur je? 


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ˈvyːr/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

vuur o

  1. vuur
    «'d Vuur versprij zich zoefrasj dórche bósj.»
    Het vuur verspreidde zich razendsnel door het bos.
Verbuiging