vuren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
Vuren.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vu·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Met vuur wordt het buskruit ontstoken [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vuren
vuurde
gevuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

vuren

  1. inergatief schoten lossen
    • Zij vuurden op de aanstormende vijand. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Oudnoor(d)s, in de betekenis van ‘van vurenhout’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285 [2] [3]
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

vuren

  1. vurenhouten

Zelfstandig naamwoord

vuren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vuur

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie