vuurpijl

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vuur·pijl
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vuurpijl vuurpijlen
verkleinwoord vuurpijltje vuurpijltjes

Zelfstandig naamwoord

vuurpijl m

  1. kleine raket die hoog in de lucht ontploft
    • Een vuurpijl bestaat uit een nuttige lading (meestal een bommetje), een aandrijflading, een omhulsel, een straalpijp en een stabilisator. 
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • klap op de vuurpijl
het laatste hoogtepunt
•  Een frisse rivier helemaal voor mijzelf, met als klap op de vuurpijl ook een aparte heetwaterbron. [1] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be