vuurpijl

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vuur·pijl
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vuurpijl vuurpijlen
verkleinwoord vuurpijltje vuurpijltjes

Zelfstandig naamwoord

vuurpijl m

  1. Een kleine raket die hoog in de lucht ontploft.
    • Een vuurpijl bestaat uit een nuttige lading (meestal een bommetje), een aandrijflading, een omhulsel, een straalpijp en een stabilisator. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie