vuurgloed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vuur·gloed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vuurgloed
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vuurgloed m [1]

  1. de warmte en het licht dat een brandend vuur uitstraalt
    • Unizo Oostnieuwkerke houdt op 8 januari vanaf 19 uur een kerstboomverbranding op het terrein van de handelszaak Groentenhalle. Iedereen die dat wil, kan zijn kerstboom deponeren in de Spanjestraat 115. Bij de vuurgloed wordt gratis een warm drankje geschonken. [2] 
    • Toen ik de deur van mijn appartement op de eerste verdieping opende, sloeg de rook in mijn gezicht en zag ik bovenaan de trap een gele vuurgloed, zegt Deprez. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 29 DECEMBER 2009 (hwr) Kerstbomen
  3. De Standaard 06 NOVEMBER 2010 (gn)Vier flats onbewoonbaar na brand