spervuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sper·vuur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spervuur spervuren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

spervuur o [2]

  1. (militair) een voortdurende aanval waarbij veel kogels worden afgevuurd
    • Hun huwelijk viel in het tijdperk dat Bonnie en Clyde de voorpagina's van Amerikaanse kranten beheersten. Die ontmoetten elkaar in 193o. Hun liefde, huwelijk, bankroven en achtervolgingen door vijf staten eindigden op 23 mei 1934 toen hun Ford V8 in een hinderlaag reed en door een spervuur van Browning Automatic Rifles werd doorzeefd. Dezelfde vier jaar dat Chuck en Regina het leven deelden. [3] 
  2. een serie die zonder stoppen doorgaat
    • Ze kreeg een daverend applaus en er volgde een spervuur van vragen. Toen Emma eindelijk oogcontact met haar maakte, wendde Isabel onmiddellijk haar gezicht af. Met een knikje gaf ze aan dat ze klaar was. [4] 
    • Hoe kom je erbij je eigen leven te riskeren voor dat van iemand anders? Ben je dan niet doodsbang? En vindt je familie het wel zo’n goed idee dat je een eerstehulpverlener bent in oorlogsgebied? De vijfde- en zesdejaarsscholieren van het Koninklijk Atheneum en van de Heilige Familie in Ieper hebben een spervuur van vragen klaar voor Abdulrahman AlMawwas (30) en Majd Khalaf (23). [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. spervuur op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Scholten, Jaap Horizon City [2014] ISBN 978-90-72603-35-7 pagina 421
  4. Winter, Julian De Messias [2015] ISBN 978-90-446-2746-6 pagina 262
  5. de Standaard VRIJDAG 10 NOVEMBER 2017