haardvuur
Uiterlijk
- haard·vuur
- samenstelling van haard en vuur
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | haardvuur | haardvuren |
| verkleinwoord | haardvuurtje | haardvuurtjes |
het haardvuur o
- Vuur in een haard of de haard (stookplaats) zelf.
- ▸ Er was meer hout nodig voor het haardvuur, Lauritz pakte een paar blokken berkenhout, genoeg om een uur te branden.[1]>
- Het woord haardvuur staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "haardvuur" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)“Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus
, ISBN 9789044625691 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be