stop

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stop
[1] enkelvoud meervoud
naamwoord stop stoppen
verkleinwoord stopje stopjes
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord stop stops
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

stop m

  1. (elektrotechniek) zekering die elektrische stroom begrenst doordat zij smelt
    • Door de kortsluiting sloegen alle stoppen door. 
  2. halte (korte onderbreking)
    • Bij de volgende stop moet ik echt naar de wc. 
  3. voorwerp dat een opening kan afsluiten
  4. besluit om verdere groei of toename te stoppen (-> wervingsstop)
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

Een stop zetten op iets.

  • Een voorwerp of maatregel waarmee aan een proces een halt toegeroepen wordt.
Anagrammen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stoppen

stop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoppen
    • Ik stop. 
  2. gebiedende wijs van stoppen
    • Stop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoppen
    • Stop je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen



Lets

Tussenwerpsel

stop

  1. stop, ho


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to stop
he/she/it stops
verleden tijd stopped
voltooid
deelwoord
stopped
onvoltooid
deelwoord
stopping
gebiedende wijs stop

Werkwoord

stop

  1. stoppen
  2. tegenhouden
  3. dichtstoppen