stopnaald

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

stopnaald (twee spelden, een schaar en een klosje garen)
Uitspraak
Woordafbreking
  • stop·naald
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stopnaald stopnaalden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stopnaald v/m [1]

  1. (huishouden) (gereedschap) naald met een niet al te scherpe punt en een groot oog, waarmee je kunt stoppen (repareren van breiwerk of weefsels)
    • Germaine was lakenstopster bij Goethals-Goethals. 'De beste van Eeklo', zegt Cesar en de (achter)kleinkinderen bevestigen dat ze nog altijd goed met stopnaald en draad uit de voeten kan.[2] 
  2. bijnaam voor een heel mager persoon
    • Na 29 jaar heeft de ‘stopnaald in maillot’, zoals collega-schrijver Kees van Kooten hem eens noemde, er volgens eigen berekeningen 115 duizend kilometer op zitten. Hoogste tijd dus om op papier te zetten hoe het hem al die tijd is vergaan als hardloper.[3] 
Hyperoniemen
Vertalingen


Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 24 JULI 2007
  3. Volkskrant Mark Misrus 12 oktober 2007,

Gangbaarheid