pal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vast’ voor het eerst aangetroffen in 1611 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord pal pallen
verkleinwoord palletje palletjes

Zelfstandig naamwoord

pal m [3]

  1. een onderdeel van een mechanisme om terugdraaien te beletten, stuitpin
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Bijwoord

pal [4]

  1. onbeweeglijk
  2. direkt, zonder tussenruimte
     Meteen na de start, meldde ze zich vooraan, pal achter Can, en pal voor Grøvdal en de Zwitserse Fabienne Schlumpf. Maar gaandeweg begon ze van vermoeidheid te trekkebekken en kort daarop groeide het gat met de koplopers, Can, Schlumpf en uiteindelijk ook de Noorse.[5]

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Zelfstandig naamwoord

pal m

  1. (heraldiek) paal m