schorsing
Uiterlijk
- schor·sing
- Naamwoord van handeling van schorsen met het achtervoegsel -ing
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schorsing | schorsingen |
| verkleinwoord | schorsinkje | schorsinkjes |
de schorsing v
- een voorlopig of tijdelijk verbod om een functie uit te voeren
- Door een schorsing moest hij het duel missen.
- ▸ Online ophef in China over schorsing studente na seks met buitenlander.[1]
- tijdelijke onderbreking (van een vergadering of rechtszitting)
- Na een korte schorsing vergaderden we verder.
- Het woord schorsing staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "schorsing" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑
Weblink bron Gabi Verberg“Online ophef in China over schorsing studente na seks met buitenlander.” (14-7-2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -ing in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %