schorsing

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schor·sing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schorsing schorsingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schorsing v

  1. een voorlopig of tijdelijk verbod om een functie uit te voeren
    • Door een schorsing moest hij het duel missen. 
  2. tijdelijke onderbreking (van een vergadering of rechtszitting)
    • Na een korte schorsing vergaderden we verder. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.