Naar inhoud springen

halt

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Halt
  • halt
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘tussenwerpsel: stop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1673 [1]

halt

  1. aansporing om te stoppen
    • Halt! riep de politieagent. 
     Ook sekteleiders, die via onder meer groepsdruk misbruik weten te maken van individuele leden, zouden via strengere wetgeving een halt moeten worden toegeroepen.[2]
  2. halt houden: stoppen, niet meer verder bewegen
     Penny houdt het liefst halt bij elke steen die ze tegenkomt.[3]
    • Voor het bordes hielden de vijf Roodhoofden halt. [4] 
enkelvoud meervoud
naamwoord halt -
verkleinwoord - -

dehaltv/m

  1. een ~ toeroepen: laten stoppen, tot stilstand brengen (ook fig.)
    • Is het nog mogelijk die beweging een halt toe te roepen? 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. "halt" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 11-7-2025 Weblink bron “Twentse burgemeesters vragen in brandbrief om strengere wetgeving tegen sektes.” (11-7-2025), NOS
  3. “Nieuws uit de kosmos” (2024), Fontaine Uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789464043075
  4. Herzen, Frank
    De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 94
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • halt

halt

  1. stoppen

halt

  1. zo
  • halt
Naar frequentie 12003

halt

  1. voltooide tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van hale

halt

  1. voltooid (verleden) deelwoord van hale
  • halt

halt

  1. voltooide tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van hala

halt

  1. voltooid (verleden) deelwoord van hala

halt

  1. voltooide tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van hale

halt

  1. voltooid (verleden) deelwoord van hale
  • halt
  • Leenwoord uit het Duits

halt

  1. stop

halt

  1. (spreektaal) nou
Naar frequentie 3685

halt

  1. onbepaald onzijdig enkelvoud van hal
    «På grund av släckningsarbetet är det väldigt halt på vägen.»
    Op grond van brandbestrijding is het erg glad op de weg.