halt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Halt

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • halt
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘tussenwerpsel: stop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1673 [1]

Tussenwerpsel

halt

  1. aansporing om te stoppen
    • Halt! riep de politieagent. 
  2. halt houden: stoppen, niet meer verder bewegen
    • Voor het bordes hielden de vijf Roodhoofden halt. [2] 
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord halt -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

halt o

  1. een ~ toeroepen: tot stilstand brengen
    • Is het nog mogelijk die beweging een halt toe te roepen? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 94


Noors

Woordafbreking
  • halt
Naar frequentie 12003

Werkwoord

halt

  1. voltooide tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van hale
Schrijfwijzen

halt

  1. voltooid (verleden) deelwoord van hale
Schrijfwijzen


Nynorsk

Woordafbreking
  • halt

Werkwoord

halt

  1. voltooide tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van hala
Schrijfwijzen

halt

  1. voltooid (verleden) deelwoord van hala
Schrijfwijzen

halt

  1. voltooide tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van hale
Schrijfwijzen

halt

  1. voltooid (verleden) deelwoord van hale
Schrijfwijzen


Zweeds

Uitspraak
Naar frequentie 3685

Bijvoeglijk naamwoord

halt

  1. onbepaald onzijdig enkelvoud van hal
    «På grund av släckningsarbetet är det väldigt halt på vägen.»
    Op grond van brandbestrijding is het erg glad op de weg.