stopper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stop·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stopper stoppers
verkleinwoord stoppertje stoppertjes

Zelfstandig naamwoord

stopper m

  1. een voorwerp waarmee iets afgestopt of afgesloten kan worden
    • Op deze karaf zit een glazen stopper. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • stop·per
Naar frequentie 1264

Werkwoord

stopper

  1. tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van stoppe