muziek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mu·ziek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord muziek -
verkleinwoord muziekje muziekjes

Zelfstandig naamwoord

muziek v

  1. (kunst) door mensen geordend akoestisch fenomeen binnen een afgebakend tijdsinterval
    • De traditionele elementen van muziek zijn: ritme, melodie en harmonie. 
    • de muziek van Bach 
  2. toonkunst
    • muziek maken 
    • aan ~ doen 
  3. voor reproductie van compositie vastgelegde muziek
  4. voor reproductie van klank vastgelegde muziek
    • ~ verzamelen 
  5. een verschijningsvorm van de onder 1) genoemde definitie
    • graag ~ in huis hebben 
    • ~ beluisteren 
    • er is ~ aanwezig 
  6. (figuurlijk) geluid dat om gevoelsmatige of esthetische waarde gemaakt of gehoord wordt
    • de muziek van de zee 
  7. (figuurlijk) positieve waardering
    • daar zit ~ in 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Overerving en ontlening
Vertalingen

zho:muziek

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen