ophouden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·hou·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ophouden
hield op
opgehouden
klasse 7 volledig

Werkwoord

ophouden

  1. wederkerend zich bezighouden met
  2. ergatief ~ met, ~ te: een activiteit beëindigen
    • Hij hield op met spreken. 
     Hij at een hamburger, dronk een Budweiser en vertelde me toen plompverloren dat hij ermee ophield.[1]
  3. overgankelijk (ongebruikelijk) omhoog houden
    • Ze hield het bordje met 8 op. 
  4. overgankelijk trachten te geven
  5. overgankelijk openhouden
  6. overgankelijk tegenhouden
  7. overgankelijk beletten verder te gaan
  8. wederkerend zich ~: zijn
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be