ophouden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·hou·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ophouden
hield op
opgehouden
klasse 7 volledig

Werkwoord

ophouden

  1. wederkerend zich bezighouden met
  2. ergatief ~ met, ~ te: een activiteit beëindigen
    • Hij hield op met spreken. 
  3. overgankelijk (ongebruikelijk) omhoog houden
    • Ze hield het bordje met 8 op. 
  4. overgankelijk trachten te geven
  5. overgankelijk openhouden
  6. overgankelijk tegenhouden
  7. overgankelijk beletten verder te gaan
  8. wederkerend zich ~: zijn
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.