stopzetten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stop·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stopzetten
zette stop
stopgezet
zwak -t volledig

Werkwoord

stopzetten

  1. overgankelijk laten stilstaan of ophouden, afzetten, stilzetten
     Onderwijsminister Arie Slob staat de pers te woord naar aanleiding van het stopzetten van de financiering van het Haga Lyceum.[1]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stopzetten

stopzetten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van stopzetten
    • ...dat wij stopzetten. 
    • ...dat jullie stopzetten. 
    • ...dat zij stopzetten. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Tjerk Gaulthérie van Weezel en Rik Kuiper “Gerechtshof brandt vingers niet aan inspectierapport over Haga Lyceum” (24 december 2019), de Volkskrant
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be