klep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klep
enkelvoud meervoud
naamwoord klep kleppen
verkleinwoord klepje klepjes

Zelfstandig naamwoord

klep v/m

  1. scharnierend bevestigde afsluiting die open en dicht kan
    Hij klapte de klep van de piano open en slaat wat tonen aan.
  2. (informeel) orgaan in het hoofd van humanen waar ongewenst geluid uit komt, mond
    Kun je niet 1 minuut je klep houden?
  3. (informeel) iemand die zijn 'klep' teveel gebruikt ouwehoer
  4. (techniek) ventiel waarmee men gedoseerd stoffen (gas, vloeistof, poeders) van de ene ruimte naar de andere kan doen overgaan
    De motor heeft vier kleppen per cilinder.
  5. ver uitstekende rand aan een hoofddeksel om te voorkomen dat de zon in het gelaat schijnt (-> zonneklep)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kleppen

klep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleppen
    Ik klep.
  2. gebiedende wijs van kleppen
    Klep!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleppen
    Klep je?

Meer informatie