afsluiting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·slui·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afsluiting afsluitingen
verkleinwoord afsluitinkje afsluitinkjes

Zelfstandig naamwoord

afsluiting v

  1. iets afsluiten
    • Door de afsluiting kreeg hij geen stroom meer. 
  2. beëindiging.
    • Het Suikerfeest is de afsluiting van de ramadan. 
  3. een voorwerp dat ervoor zorgt dat iets afgesloten wordt
    • De afsluiting op de deur werkte niet goed. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie