keer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • keer
enkelvoud meervoud
naamwoord keer keren
verkleinwoord keertje keertjes

Zelfstandig naamwoord

keer m

  1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
    • Die fout maak je elke keer. 
Synoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • geen enkele keer
nooit
  • voor de eerste keer
voor het eerst
  • voor de laatste keer
voor het laatst
•  De zon was nog niet op en met mijn hoofdlamp checkte ik nog een laatste keer al mijn spullen om te zorgen dat ik niets zou vergeten. [1] 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
keren

keer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keren
    • Ik keer. 
  2. gebiedende wijs van keren
    • Keer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keren
    • Keer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
keer
gekeer
volledig

Werkwoord

keer

  1. keren
  2. voorkomen
    «Die water hou die seekoei se liggaamstemperatuur koel en keer dat die vel uitdroog.»
    Het water houdt de lichaamstemperatuur van het nijlpaard laag en voorkomt dat zijn huid uitdroogt.