instroom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·stroom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord instroom instromen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

instroom m

  1. toeloop
    • De grote instroom van nieuwe leerlingen zorgde voor een groei van de onderwijsinstelling. 

Werkwoord

vervoeging van
instromen

instroom

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van instromen
    • ... dat ik instroom. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be