stoppen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stop·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stoppen
stopte
gestopt
zwak -t volledig

Werkwoord

stoppen

  1. herstellen (van een gat)
  2. vullen (van een pijp)
  3. doen halthouden
    • De agent liet ons stoppen voor een controle. 
  4. ophouden, ermee kappen
    • Zou je willen stoppen met fluiten? 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

stoppen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stop
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie