stoppen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stop·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘stilstaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1849 [1]
  • In de betekenis van ‘dichtmaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stoppen
stopte
gestopt
zwak -t volledig

Werkwoord

stoppen

  1. herstellen (van een gat)
  2. vullen (van een pijp)
  3. doen halthouden
    • De agent liet ons stoppen voor een controle. 
  4. ophouden, ermee kappen
    • Zou je willen stoppen met fluiten? 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

stoppen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stop
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen