staplaats

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·plaats
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord staplaats staplaatsen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

staplaats v/m

  1. een plaats bij een evenement of voorstelling waarbij men geen gelegenheid heeft om te zitten
    • Ben van Luijn is één van hen. Hij legt uit waarom veel landgenoten deze grand prix hebben uitgekozen. ,,Het is in Hongarije allemaal nog betaalbaar. Niet alleen qua eten en drinken, ook het kaartje. Ik heb een staplaats voor het hele weekeinde, voor 99 euro. In Spa ben je een veelvoud kwijt. Plus: daar worden dit jaar 250 duizend man verwacht, dat is een gekkenhuis. Ik ga vanwege de kosten alleen op de vrijdag naar België, maar vorig jaar was ik zelfs toen al 3 uur te laat op het circuit vanwege de drukte. Dit jaar gaan we om half 3 drie ’s nachts al rijden.” [1] 
    • Het optreden van de zevenkoppige boyband in de Amsterdamse poptempel, onderdeel van de BTS-wereldtournee, was binnen enkele seconden uitverkocht. Ondanks de hoge ticketprijzen. Zo kostte een staanplaats 180 euro. Veel Nederlandse fans van de 'Koreaanse Beatles' kampeerden de afgelopen dagen voor de ingang van de Ziggo Dome om als eersten naar binnen te kunnen en een zo goed mogelijke staplaats te veroveren. [2] 
  2. plaats op een camping waar men met zijn tent of caravan kan staan
    • Zij wil ook dat variabele kosten voor de staplaats naar rato worden betaald. „Geen afvalstoffenheffing, toeristenbelasting enzovoort dus meer over de maanden dat de mensen hier al weg zijn,” aldus Van der Leij. [3] 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.


Verwijzingen