stortplaats

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

stortplaats
Uitspraak
Woordafbreking
  • stort·plaats
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stortplaats stortplaatsen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stortplaats v/m [1]

  1. een plaats waar men materiaal (meestal afval) kan laten neervallen
    • Meldingen komen bij de politie in Noord-Brabant wel vaker binnen - maar vaker niet dan wel. De provincie is een hotspot voor criminelen met drugslaboratoria, die na de productie van xtc en mdma van hun chemische afval af moeten en de provincie gebruiken als stortplaats. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Martin Kuiper 27 september 2016
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be