zitplaats

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zit·plaats
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zitplaats zitplaatsen
verkleinwoord zitplaatsje zitplaatsjes

Zelfstandig naamwoord

zitplaats v/m

  1. een plaats waar men kan zitten
    • Dit theater telt driehonderd zitplaatsen. 
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie