plaatshebben

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plaats·heb·ben
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
plaatshebben
had plaats
plaatsgehad
onregelmatig volledig

Werkwoord

plaatshebben

  1. absoluut gebeuren, zich afspelen
    • Heeft dat gesprek inmiddels plaatsgehad? 
    • De vervroegde verkiezingen zullen waarschijnlijk in september plaatshebben. 
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.