plaatsbewijs
Uiterlijk
- Geluid: plaatsbewijs (hulp, bestand)
- IPA: / ˈplatsbəˌwɛis / (3 lettergrepen)
- plaats·be·wijs
- samenstelling van plaats en bewijs
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | plaatsbewijs | plaatsbewijzen |
| verkleinwoord | plaatsbewijsje | plaatsbewijsjes |
het plaatsbewijs o
- Een bewijs vroeger meestal een kaartje vaak ook een ov-chipkaart dat men recht heeft op een (zit)plaats.
- In tien wedstrijden werd niet voldoende gewonnen om een plaatsbewijs voor het wereldtoernooi te bemachtigen.
- Het woord plaatsbewijs staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "plaatsbewijs" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 91 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 12
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 91 %