parkeerplaats

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • par·keer·plaats
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord parkeerplaats parkeerplaatsen
verkleinwoord parkeerplaatsje parkeerplaatsjes

Zelfstandig naamwoord

parkeerplaats v/m

  1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
    • We stoppen op een parkeerplaats aan de snelweg om even te rusten. 
     Op de parkeerplaats ter grootte van een voetbalveld staat een handjevol vrachtwagens.[1]
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant