parkeerplaats

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • par·keer·plaats
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord parkeerplaats parkeerplaatsen
verkleinwoord parkeerplaatsje parkeerplaatsjes

Zelfstandig naamwoord

parkeerplaats v/m

  1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
    • We stoppen op een parkeerplaats aan de snelweg om even te rusten. 
     Op de parkeerplaats ter grootte van een voetbalveld staat een handjevol vrachtwagens.[1]
     Nooit eerder rende ik zó hard over een parkeerplaats naar een McDonald’s toen ik er eindelijk was.[2]
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be