Naar inhoud springen

aanlegplaats

Uit WikiWoordenboek
  • aan·leg·plaats
enkelvoud meervoud
naamwoord aanlegplaats aanlegplaatsen
verkleinwoord aanlegplaatsje aanlegplaatsjes

deaanlegplaatsv/m

  1. plaats waar men een boot aanlegt
     Om aan de geur van de natte en vieze Orpington in de auto te ontkomen, stapte Gunnar Barbarotti tijdens de zeven minuten durende overtocht uit, en zo kwam het dat hij heel duidelijk de man zag die bij de aanlegplaats van de pont in Fàrôsund stond te wachten om naar de overkant te gaan.[1]
     Hij loopt met nonchalante passen achter de aanlegplaats langs, naar de fietsenrekken, zijn hand in de tas verborgen rond het ranke postuur van zijn geliefde, zijn troost, zijn rode, fruitige duivelin.[2]
  1. Håkan Nesser
    “Herfst op Gotland” (2021), De Geus (uitgeverij), ISBN 9789044535624
  2. Safae el Khannoussi
    “Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim op Wikipedia, ISBN 9789493339125